Coachingbureau INZICH-T
Utrecht

Berichten
adhd-Xtra
Live informatie van adhd-Xtra

ODD

OPPOSITIONAL DEFIANT DISORDER (ODD)

Folder Stichting Balans Inforeeks

Inleiding

In de puberteit is opstandig gedrag een normaal verschijnsel. Ook bij kinderen met ADHD komt dat regelmatig voor. Maar er hoeft dan nog geen sprake te zijn van een (bijkomende) stoornis. Om van een gedragsstoornis te kunnen spreken, moeten een aantal negatieve gedragingen, die niet veroorzaakt worden door de omstandigheden en die vaker en sterker voorkomen dan gemiddeld al langere tijd aanwezig zijn. In de DSM IV (Diagnostic statistical manual of mental disorders) staan richtlijnen voor de classificatie van deze stoornissen.

Daarin wordt bij kinderen en adolescenten onder de noemer agressieve gedragsstoornissen onderscheid gemaakt tussen een Oppositioneel Opstandige Gedragsstoornis (ODD, Oppositinal Defiant Disorder) en een antisociale gedragsstoornis (CD, Conduct Disorder). Gedragsstoornissen gaan vaker dan gemiddeld gepaard met leerproblemen, stemmingsproblemen, hyperactiviteit en verslaving.

ODD

Kinderen en adolescenten met een Oppositioneel Opstandige Gedragsstoornis zijn moeilijk in de opvoeding, ongehoorzaam en in verzet, maar feitelijk gewelddadig gedrag is niet aan de orde. Bij zo'n jongen of meisje is sprake van minstens vier van de volgende acht eigenschappen:

* is vaak driftig
* verzet zich tegen regels, weigert zich te voegen naar wat de volwassene vraagt,
* maakt vaak ruzie met volwassenen,
* ergert anderen met opzet,
* geeft de schuld van eigen fouten aan anderen,
* is vaak prikkelbaar, ergert zich vaak,
* is vaak boos of gepikeerd,
* is hatelijk en wraakzuchtig.

Bij de beoordeling of er sprake is van een gedragsstoornis zal rekening gehouden moeten worden met de leeftijd van het kind. Wanneer kinderen worden geboren, zijn het niet meteen sociaal functionerende wezens. Ze hebben daar wel de aanleg voor, maar die moet nog tot ontwikkeling komen. Het vermogen om rekening te houden met anderen, hen met respect te bejegenen en af te kunnen zien van eigen behoeften ten gunste van anderen, ontplooit zich geleidelijk in de omgang met volwassenen. Tijdens de peuter- en kleuterleeftijd is er bij perioden in meer of mindere mate sprake van agressief gedrag. Bij een vierjarige heeft kwetsend gedrag naar mens en dier een andere, minder ernstige betekenis dan bij een achtjarige. Door de taalontwikkeling krijgt het kind de gelegenheid zijn gevoelens, gedachten en wensen onder woorden te brengen. Dit draagt vervolgens bij tot het afnemen van agressief gedrag. Hoewel dus een zekere mate van opstandig en agressief gedrag op een bepaalde leeftijd normaal genoemd mag worden, kan met inachtneming van de leeftijd van het kind en diens ontwikkelingsprofiel aan de hand van de criteria uit de DSM worden bepaald wanneer de grens van wat gewoon is wordt overschreden.

De gevolgen

De gevolgen van een agressieve gedragsstoornis kunnen zeer ernstig zijn, zowel voor het gezin van het kind als voor het kind zelf. Uiteindelijk kan het leiden tot mishandeling van ouders, van broertjes en zusjes, van diueren en van leeftijdgenootjes. De ervaring leert dat op het thema 'mishandeling door kinderen en jongeren binnen het gezin' een groot taboe rust. Het kost ouders kennelijk grote moeite om het probleem in ware omvang te onderkennen en erkennen. Vaak schamen zij zich zo dat ze pas in een vergevorderd stadium hulp gaan zoeken. an is er al een neerwaartse spiraal gaande van steeds verder escalerend gedrag. Het gezin kan hierdoor ernstig geïsoleerd geraakt zijn.

Agressive gedragsstoornissen worden vaak in verband gebracht met later optredend crimineel en delinquent gedrag; bij een aantal adolescenten gaat het een inderdaad over in het ander. Echter niet elke crimineel heeft in zijn jeugd een gedragsstoornis gehad. De meeste kinderen met ADHD en met een gedragsstoornis blijven op het rechte pad, enkele ontsporingen in de adolescentie daargelaten. Indien er bij een kind sprake is van een combinatie van ADHD en een gedragsstoornis, dan zijn de vooruitzichten somberder. Uit onderzoek blijkt dat vooral ernstig agressief gedrag op de kinderleeftijd (onder 10 jaar) een voorspellend waarde heeft voor later optredend ernstige -met name gewelddadige- delinquentie.
Dit geldt voornamelijk voor de Conduct Disorder.

De oorzaak

Het zit in het kind; het ligt aan de ouders. Jarenlang heeft de discussie over de oorzaak van ersntige gedragsproblemen gedraaid om deze twee uitersten.

Tegenwoordig wordt ervan uitgegaan van een combinatie van aanleg en omgeving, waarbij de balans tussen risico- en beschermende factoren uiteindelijk bepaald of het tot een agressieve gedragsontwikkeling komt.
Dikwijls worden de volgende oorzaken onderscheiden:
* de psychobiologische factoren,
* de psychosociale factoren,
* de ecologische factoren.

Met psychologische factoren bedoelen we de erfelijke/biologische aanleg van een kind die van invloed is op de psychologische ontwikkeling. Het gaat onder meer om de werking van hormonen en het functioneren van het zenuwstelsel. In onderzoek is naar voren gekomen dat er bijvoorbeeld bij de zogeheten sensation seekers sprake is van een genetische variant die een zodanoge biologische 'outfit' oplevert dat deze jongeren spanning nodig hebben om zich goed te voelen. Men constateerd bij deze groep een langzamere hartslag en een hogere stressdrempel.
Het verband tussen een gedragsstoornis van een kind en diens opvoeding in het gezin is uiterst ingewikkeld, en in iedere situatie weer anders. Inmiddels wordt onderkend dat bijvoorbeeld kinderen met een ontwikkelingsstoornis, zoals ADHD od PDD-NOS, door de aard van hun psychitrisch probleem hun ouders in de opvoeding op talloze manieren onbedoeld op het verkeerde been kunnen zetten, waardoor de opvoeding steeds problematischer verloopt. Dat is een van de redenen die het belang van vroege onderkenning bepalen.

Behandeling

Een ernstige gedragsstoornis is vaak moeilijk te behandelen, onder meer omdat;
* het kind veelal weinig probleembesef heeft (als dit ook bij de ouders het geval is, wordt het extra moeilijk)
* het kind de schuld van de problemen dikwijls bij anderen legt (hij is niet lastig, maar wordt uitgelokt,
* er in eerste instantie winst is met het gedrag (de omgeving is bang voor het agressieve gedrag van het kind en geeft toe- waarmnee het kind in staat is om de omgeving naar zijn hand te zetten.).

De behandeling moet op verschillende fronten tegelijkertijd worden ingezet en rekening houden met de beperkingen van zowel de jongere als van het gezin. Daarbij is het terugdringen van de spiraal van opvoedingsmachteloosheid en gedragsontsporing moeilijk te verwezenlijken. Anticiperen in de opvoeding blijkt een belangrijk thema te zijn. Jongeren met ODD hebben dikwijls een tekortschietende emotionele zelfregulatie, zijn snel gefrustreerd en zijn weinig flexibel in het omschakelen naar een andere houding ten opzichte van de situatie.

Ouders (en leerkrachten) moeten manieren zien te vinden om in de opvoeding weer een positieve toon te vinden. Dat is geen verwennerij of slapte van de ouders, zoals de omgeving nog wel eens wil suggereren, maar een aanpassing aan de noden van het kind. Ouders (en leerkrachten) kunnen zich trainen om met het moeilijke gedrag om te gaan en voor het kind de grenzen te bewaken. Ze kunnen leren vooruit te kijken, probleemsituaties voorzien en veranderingen aan te brengen. Hulp en ondersteuning door professionals zullen dikwijls niet gemist kunnen worden. Tijdelijke opvang door derden, zoals logeermogelijkheden, buitenschoolse opvang ed kunnen ouders ontlasten en hen tegelijkertijd de gelegenheid bieden hun taak vol te houden.

Medicatie

Er bestaat geen medicijn dat gedragsstoornissen opheft. Medicatie wordt vooral toegepast wanneer er sprake is van bijkomende stoornissen, zoals ADHD, of depressiviteit, of om begeleidende verschijnselen te verminderen.
Medicatie bij gedragsstoornissen:
* voor acute situaties om gevaar af te wenden,
* voor chronische situaties, om patronen te doorbreken,
* indien er ook sprake is van ADHD,
* wanneer er ook sprake is van een stemmings- of angststoornis.

Waar kunt u terecht?

Uit het voorgaande is duidelijk geworden dat agressief gedrag in de kinderleeftijd serieus genomen moet worden en zo vroeg mogelijk moet worden behandeld. Agressif gedrag gaat in veel gevallen niet vanzelf over. Het gedrag moet zo min mogelijk de kans krijgen ingeslepen te raken. Te vaak wordt de hulpverlening pas benaderd als 'het water al aan de lippen staat'. Hulp bij agressieve gedragsstoornissen zal in de meeste gevallen moeten worden gezocht bij Kinder- en Jeugdpsychiaters in de Geestelijke Gezondheidszorg. Soms zal deze hulp moeten worden gecombineerd met een vorm van jeugdhulpverlening, met name wanneer een uithuisplaatsing wordt overwogen.

Voor hulp bij ernstige agressiviteit van hun kinderen kunnen ouders zelf naar het Bureau Jeugdzorg stappen, maar zij kunnen zich ook via de huisarts naar een Kinder- en Jeugdpsychiater laten verwijzen. De hulpverlening mag ouders niet afwijzen met het argument dat de jongere eerst gemotiveerd moet zijn. Als dat niet het geval is, hebben de ouders juist ondersteuning nodig om zo adequaat mogelijk met het niet-gemotiveerde gedrag van hun kind om te gaan